Theorie
Een verhouding verdeelt een totaal in vaste delen.
Tel eerst de verhoudingsdelen op. Dan weet je uit hoeveel gelijke delen het totaal bestaat.
Deel het totaal door dat aantal delen. Vermenigvuldig daarna met elk deel van de verhouding.
- Tel de verhoudingsdelen opTel de verhoudingsdelen op.
Bij optellen voeg je twee hoeveelheden samen.
Je kunt van links naar rechts tellen, maar bij grotere getallen is het vaak handiger om eerst een rond getal te maken.
Gebruik je een stukje van het tweede getal om het eerste getal aan te vullen, dan tel je daarna alleen nog de rest erbij.
- Kijk of je handig kunt aanvullenBij grotere getallen kun je vaak eerst een rond getal maken.
- Tel de rest erbij opTel daarna wat nog over is erbij.
- Kijk of je handig kunt aanvullen
- Bereken de waarde van 1 deelDeel het totaal door het aantal verhoudingsdelen.
Delen betekent dat je een hoeveelheid eerlijk verdeelt of kijkt hoeveel gelijke groepen erin passen.
Het eerste getal is de totale hoeveelheid. Het tweede getal vertelt door hoeveel je deelt.
Controleer altijd of de deling precies uitkomt. Als dat niet zo is, krijg je een kommagetal of breuk als antwoord.
- Bereken het eerste deelVermenigvuldig de waarde van 1 deel met het linker verhoudingsdeel.
Vermenigvuldigen gebruik je bij gelijke groepjes.
A × B betekent dat je A keer dezelfde hoeveelheid B neemt.In plaats van steeds opnieuw op te tellen, reken je het product in één keer uit.
- Bereken het tweede deelVermenigvuldig de waarde van 1 deel met het rechter verhoudingsdeel.
Vermenigvuldigen gebruik je bij gelijke groepjes.
A × B betekent dat je A keer dezelfde hoeveelheid B neemt.In plaats van steeds opnieuw op te tellen, reken je het product in één keer uit.
- Tel de verhoudingsdelen op2 + 3 = 5.
- Kijk of je handig kunt aanvullenGebruik direct optellen bij 2 + 3.
- Tel de rest erbij op2 + 3 = 5.
- Kijk of je handig kunt aanvullen
- Bereken de waarde van 1 deel60 ÷ 5 = 12.
- Bereken het eerste deel12 × 2 = 24.
- Bereken het tweede deel12 × 3 = 36.