Theorie
Bij een breuk vertelt de noemer in hoeveel gelijke delen het geheel is verdeeld.
De teller vertelt hoeveel van die delen je hebt.
Gelijknamige breuken hebben dezelfde noemer, dus de delen zijn even groot. Tel alleen de tellers op en laat de noemer gelijk.
- Tel de tellers opTel de tellers bij elkaar op.
Bij optellen voeg je twee hoeveelheden samen.
Je kunt van links naar rechts tellen, maar bij grotere getallen is het vaak handiger om eerst een rond getal te maken.
Gebruik je een stukje van het tweede getal om het eerste getal aan te vullen, dan tel je daarna alleen nog de rest erbij.
- Kijk of je handig kunt aanvullenBij grotere getallen kun je vaak eerst een rond getal maken.
- Tel de rest erbij opTel daarna wat nog over is erbij.
- Kijk of je handig kunt aanvullen
- Schrijf de nieuwe breukGebruik de som van de tellers als nieuwe teller. De noemer blijft gelijk.
- Tel de tellers op3 + 8 = 11
- Kijk of je handig kunt aanvullen3 + 7 = 10, dus er blijft 1 over.
- Tel de rest erbij op10 + 1 = 11.
- Kijk of je handig kunt aanvullen
- Schrijf de nieuwe breukDe nieuwe teller is 11 en de noemer blijft 12: 1112.